Herinneringen van Piet van de Nonne van Budde van de Steenenkamer

Op de foto van links naar rechts Hendrik Jan Groters, broer Willem Antoon Groters, vader Willem Antoon Groters, onbekend en broer Antoon Groters tijdens het oogsten van sperziebonen. De foto is genomen ongeveer ter hoogte van het huidige Shellpompstation, op de achtergrond de Buitensociёteit.

Indien de ganse familie van de schrijver dezes, geboren en getogen is op de Steenenkamer, moge het duidelijk zijn dat hij veel te vertellen heeft over dit bijzondere stukje Gemeente Voorst. Dit verhaaltje handelt over een periode van ongeveer zeventig jaren terug tot heden. Zonder allerlei boeken en geschriften te raadplegen is dit een verhaal voor de vuist weg, gebaseerd op persoonlijke kennis en ervaringen en bedoeld de sfeer en typische leefgewoonten van bewoners weer te geven van dit unieke stukje Gemeente Voorst. Een en ander doorspekt met allerlei anekdotes.
Over de naam Steenenkamer, over het ontstaan, waarvan ontleent, bestaan nog steeds diverse meningen en zienswijzen. De meest voor de hand liggende zienswijze is dat midden zestiende eeuw het gebied een landgoed was met weiden en houtgewas, met slechts een bebouwing van enkele houten schuren en een woonhuis, ook in hout opgetrokken met in het midden een stenen gebouw of een steenen camer (1545). Hierin speelde zich het huiselijk gebeuren af. Na 1881 verschijnen er steeds meer exacte gegevens over het ongeveer 16 ha grote gebied. Eigendom van een familie en in september van het jaar 1881 wordt het landgoed publiekelijk geveild en totaal verkaveld. Laat negentiende eeuw en begin twintigste eeuw begonnen zich hier allerlei families te vestigen, voornamelijk groentetelers. Dit was niet zo verwonderlijk want de nieuwkomers gingen niet over een nacht ijs. Het gebied wordt begrenst door de rivier de IJssel, de nog steeds bestaande Twelloseweg, de Wilpse Dijk en het stroompje “De Oude IJssel”. Al met al een zeer vruchtbaar gebied.
Een eerste vereiste om excellente producten te kweken was een goede basis, namelijk goede teeltgrond. Rivierklei en zavelgrond. Beter kan het niet! Zelfs de smaak van geteelde groente was buitengewoon goed. De kwekers van de Steenenkamer die hun producten aanboden op de inmiddels opgerichte Coöperatieve Veiling vereniging Deventer en Omstreken (Locatie Pikeursbaan te Deventer) kregen altijd de hoogste prijzen! Gerenommeerde Hotel Restaurants, zoals Hotel de Keizerskroon op de Stroomarkt te Deventer betrokken de groente en andere gewassen altijd van de Steenenkamer vanwege hun bijzondere goede smaak. Een oude menukaart van genoemde Keizerskroon waar à propos vele malen onze toenmalige koninginnen Wilhelmina en Juliana incognito dineerden, vermeldt dan ook “Asperges du Steenenkamer”. Na later bleek, geteeld door Willem van Budde.
Aanvankelijk was het gebied slecht of helemaal niet bedijkt, hetgeen wegens de ligging ten opzichte van de rivier de IJssel beslist noodzakelijk was. Pijnlijk werd men met dit euvel geconfronteerd toen in 1926 en later nog een keer in 1928 de gehele Steenenkamer fiks onder water kwam te staan. Een watersnoodramp die zijn weerga niet kende. Iedere bewoner was plotseling alles kwijt, zijn huisraad, zijn bedrijf, dus zijn inkomen.
Het Steenenkamerse volk –men sprak tot in lengte van dagen van een apart bijzonder volk, was voor geen kleintje vervaard. Enigszins ruw uitziende, bonkige, stoere mensen, zo van ruwe bolster blanke pit, doch veelal met een klein hartje, zeer sociaal voelend doch zakelijk gezien evenzeer wantrouwend. Zakelijk gezien gunden zij elkaar het licht in de ogen niet bij tijd en wijle. Wanneer de ene kweker vertelde aan zijn collega dat hij voor zijn geveilde kroppen sla zeven centen had gekregen antwoordde de collega dat hij negen centen voor zijn kroppen sla had gebeurd. Een spelletje! Een prachtige foto, genomen op de deel van een van de kwekers, de familie Gerdingh, illustreert de begaanheid van collega-kwekers uit Noord-Holland met de Steenenkamer noden.
De ijzeren voorraad was door de watersnoodramp totaal vernietigd. Duizenden jonge koolplanten werden ter beschikking gesteld, doch alleen aan kwekers die lid waren van de zojuist opgerichte Veiling Vereniging D&O. De watersnoodramp 1926 was mede er de oorzaak van dat de gemeenschap nog hechter werd en men elkaar ging bijstaan in allerlei zaken. “Samen sterk”was het credo en alras werd een buurtvereniging opgericht welke nog steeds bestaat. Onder aanvoering van de heer Willem Antoon Groters (voorzitter) werden -voor die tijd althans- diverse zaken voortvarend aangepakt. Zeer belangrijke zaken werden mede door toedoen van het bestuur der Buurtvereniging gerealiseerd, zoals verharding der wegen (1927), de naamgeving der straten (1929), het aanleggen van een vaste brug over de IJssel (1938) en het realiseren van meer lichtpunten en brandputten (1934). In 1975 de aanleg van een aardgasnet. Vastberaden, doortastend en ondanks hun zeer drukke werkkring werd er zeer veel bereikt voor de Steenenkamer gemeenschap. Een hechte gemeenschap die in de loop der jaren weinig veranderde.
Zo kan men stellen dat er weinig verandering kwam in het aantal families en dus werd dit gebied door steeds dezelfde overbekende families bevolkt zoals –op het gevaar af dat er een vergeten wordt- Lodeweges, Diks, Overkamp, Nalis, Gerdingh, Groters, Evers, Peters, Van de Wal, Klein-Velderman, Beltman, Grooters, Kraa, Steenbruggen, Kraaijenzank, Meiberg, Waanders, Van Orden, Olden, enz. Jarenlang deelden zij lief en leed met elkaar en trouwden met elkaar. Dit gaf wel eens problemen en het kon gebeuren dat er in een straat drie families Groters woonden. Om het nog verwarrender te maken Groters met o geschreven en Grooters met oo. Allemaal familie van elkaar. Hoe kunnen ze allemaal uit elkaar worden gehouden. Het toekennen van een bij- of scheldnaam was de oplossing. Bijnamen als de Budde, de Nonne, de jongens van de Putte, den Slappen, Jan de leugenaar, Bottie, Pinkie, enz. werden steeds gebruikt en soms wist men niet eens meer de eigenlijke familienaam.
Ook bij de postbestellers der PTT was een en ander niet omopgemerkt gebleven. Wanneer er sprake was van een vage adresomschrijving wist de besteller onmiddellijk voor wie het poststuk bestemd was. Aan Anne van Gait moest zijn: aan mevrouw Anna Nalis-Steenbruggen, Warmoezenierstraat 5, Steenenkamer. Hoe kon het toch voorkomen dat de vele families Groters op diverse manier vermeld werden. Het verhaal gaat dat bij een van de families een jonge spruit was geboren. Bij de geboorte –een enerverende en zenuwachtige gebeurtenis- werd door de stoere doch met een klein hart bedeelde vader een aantal borrels –jonge jenever- genuttigd. Dit teneinde zich wat moed in te drinken. Ten slotte moest de jonggeborene aangegeven worden bij de Burgerlijke Stand ten gemeentehuize te Twello. Toen de dienstdoende ambtenaar aan de enigszins beschonken vader vroeg of Groters met een of twee o’s geschreven diende te worden, antwoordde de man: “Je schrieft der maor een zeutjen op”. Aldus geschiedde en het ontstaan van Grooters (dubbel o) was een feit.
Terug naar het jaar 1931. Na veel gesteggel was de bedijking der Steenenkamer –op het aanbrengen van drie coupures na- een feit geworden. Een coupure is de doorsnijding van de dijk, voor het doorlaten van een weg- of spoorwegverbinding en afsluitbaar in noodgevallen door plaatsing van schotbalken in sponningen in de landhoofden. In tegenstelling tot de bewering van werkverschaffing was het aanbrengen van deze coupures bittere noodzaak. Vele vrijwilligers, hoofdzakelijk afkomstig van de Steenenkamer maar ook uit de wijk “De Hoven”, klaarden het gigantische karwei met behulp van hun eigen houten kruiwagen. Een gedenksteen in de coupure bij het IJsselhotel herinnert nog aan deze manhaftige daden met het opschrift: “Ter herinnering aan den krachtigen samenwerking van de Steenenkamer en de Hoven. Anno 1931”.
Tot aan de zeventiger jaren 1970-1980 bleef de Steenenkamer een hechte gemeenschap met zelfs twee kruidenierswinkels (Olden en Van Orden). Een café (Kraaijenzank) en zowaar een dorpsgek: Mannus Gerdingh. Vele zaken werden zelf geregeld. Politie was niet nodig en wanneer ongenode gasten met duidelijk kwade bedoelingen zich aandienden werden deze lieden eigenhandig verwijderd. Op een nacht werd kruidenier Dieks Olden plotseling wakker en hoorde gestommel in zijn winkel. Hij dacht onmiddellijk aan inbraak, trok subiet een broek aan, bedacht zich geen moment en sprong via een balkon van de eerste verdieping. De landing was vrij zacht –midden in een akker bloemkool- en de achtervolging werd ingezet. De inbreker zette het op een lopen richting Deventer. Midden op de Deventer Brug toen Dieks de inbreker bijna te pakken had, sprong de bovenste knoop van zijn broek af waarop de broek naar beneden dwarrelde en Dieks verder lopen werd ontzegd. Gelukkig ontkwam de inbreker door een simpele knoop aan een gewisse dood. Waarschijnlijk heeft de man zich nooit meer op de Steenenkamer vertoond. Op een enkeling na werd de Steenenkamer bevolkt door groentekwekers, een speciaal vak, zoals dat van een timmerman, loodgieter, enz.

De kweker
Grosse Podo kan men stellen dat wij mensen ons bestaan voor een overgroot gedeelte te danken hebben aan het “groene gebeuren”. De natuur om ons heen. Immers de zuurstof die wij inademen is grotendeels afkomstig en wordt geproduceerd door de natuur, de bomen, de planten. Bij dit ingewikkelde proces –assimilatieproces ook wel fotosynthese genoemd- komt de benodigde zuurstof vrij met behulp met zonlicht, maar ook organische stof (voedsel). Een Nederlandse medicus dr. Ingen-Housz ontdekte dit midden achttiende eeuw. Iemand die zich bezighoudt met de productie van voedsel -in ons geval groente, aardappelen en aanverwante artikelen- mag zich groentekweker noemen. Op vakgebied zeker intelligente mensen die heel goed begrepen dat kweken niet alleen technische vaardigheden –omgaan met gereedschappen, enz.- behelst maar 24 uur per dag omgaan en vooral luisteren naar de natuur. Het vak van groentekweker was een hard vak. Men moest fysiek goed in orde zijn en over een dosis gezond verstand beschikken. Er bestonden nog geen computers, men had geen TV en bovendien heeft de natuur geen vakantie of vrije dagen. Ondanks dit alles, kweken konden ze die Steenkamersen!
Met alle respect voor deze kwekers, respect werd niet altijd gedeeld door iedereen. Anna, een vreemde eend in het nest van Budde, was met haar echtgenoot naar Haarlem verhuisd. Af en toe kwam ze over voor familiebezoek en sprak dan over de Steenenkamerse boeren. Een beetje denigrerend kwam dat over op een bijeenkomst. Vermanend kreeg ze onmiddellijk antwoord van haar jongere broer Antoon. “Hou toch op Anna. Hebben die Steenkamerse boeren jou en je man niet aan het vreten gehouden tijdens de Tweede Wereldoorlog en hebben die zogenaamde boeren jou in de Hongerwinter (1944) niet van de dood gered? Ga toch terug naar je kak Haarlem”. Typisch Steenenkamers!
De oppervlakte van de Steenenkamer was niet zo erg groot: 16 HA met ongeveer vijftig kwekers. De koudegrond kwekers moesten wel alles op alles zetten teneinde een goed rendement te behalen. Als de strenge winter voorbij was, was het pootaan spelen. Toch slaagde menigeen er in soms drie oogsten in een seizoen binnen te halen. Over management en rentabiliteit gesproken. Ook deed men sterk aan innovatie. Mooie voorbeelden hiervan waren: het ontdekken van een andijviesoort die zomers in vroeg stadium niet doorschoot van Gait Nalis.
Het ontdekken van een nieuw kropsla soort “Attractie” van de Nonne en het telen van een sublieme witlofsoort met hoge opbrengst door Herman van oom Herman. De witlofteelt die pas in de jaren vijftig goed op gang kwam. Wie herinnert zich niet, vooral de ouderen onder ons, de typische houten huisjes met daarin met cokes gestookte ketels. Daaraan vastgekoppeld een buizensysteem teneinde de witlofoogst te vervroegen. Alles was er op gericht de winterperiode zo goed mogelijk door te komen. Immers ’s winters waren de inkomsten vrijwel nihil.
De een verhuurde zich tijdelijk aan de Deventer Vleeswarenindustrie Anton Hunink en Stegeman. De ander zette vee op stal. Koeien wel te verstaan. Men had dan ten minste nog melk en natuurlijke mest om in het voorjaar het land te bemesten. De koeien werden “uitgezet” door veelal Joodse handelaren en in het voorjaar weer opgehaald door dezelfde handelaren tegen een kleine vergoeding. Ook zocht men zijn heil ter vergroting van zijn inkomsten door buitendijks grote stukken grond bij te huren. Op de Marsch, een gebied gelegen richting Wilp en op het Stadsland richting Terwolde, zochten vele kwekers hun domicilie, alhoewel de kwaliteit van de grond niet de grond van de Steenenkamer evenaarde.
Het spreekt vanzelf dat de kweker ook handelsman moest zijn. Moeder de vrouw moest brood op de plank hebben. “Als de klanten niet bij mij komen, ga ik ze opzoeken” was de stellige overtuiging. Om hun gekweekte producten te transporteren zocht men zijn heil in de kruiwagen van hout. Een apparaat dat heden ten dage nog steeds door de echte tuinman wordt gebruikt. Al innoverend kwam vooral in de dertiger jaren het “Drierad” te voorschijn. Een voertuig van welk bestaan men bijna geen weet meer heeft. Eveneens uit hout vervaardigd en eigenlijk gelijkend op een vergrote kruiwagen. Aan de voorkant een klein (houten) wiel en aan de zijkanten voorzien van twee grote wielen. Twee grote onderliggende balken, aan de achterkant een weinig uitstekend. Bovenop de balken een grote bak die wel 10-20 kisten kon dragen. Aan de achterkant staken de draagbalken een weinig uit en werden als hefboom gebruikt. Als er een bocht gemaakt moest worden werd door middel van deze hefboom het voorwiel een weinig opgetild zodat men met deze volle bepakking zijn weg goed kon vervolgen.
De eenvoudige huizen met een vrij groot bedrijfsgedeelte en een relatief klein woongedeelte waren altijd met het bedrijfsgedeelte (grote deuren) naar de weg gebouwd. Steevast bevond zich in deze ruimte een paardenstal. Het paard als belangrijke knecht voor werkzaamheden op het land, ploegen, mest opbrengen, etc. Tevens als transportmiddel met wagen. De afzet van gekweekte producten moest beter en sneller. Op een enkeling na werden paard en wagen veelvuldig ingezet voor allerlei activiteiten en weer wat later deed de tractor zijn intrede.
Trots als zij waren brachten de Steenenkamerse kwekers hun producten op verschillende manieren aan de man. Wat dat betreft kon men de kwekers verdelen in twee kampen. De zogenaamde vrije jongens en de kwekers die meer georganiseerd werkten en zich aansloten bij de Coöperatieve Veilingvereniging D&O. Degene die lid was van de Groente- en Fruitveiling was tevens “boeteplichtig” en mocht dienaangaande geen groente en fruit buiten de veiling om verhandelen. Af en toe gebeurde dat toch hetgeen bij waarneming zeer streng bestraft werd d.m.v. grote geldboetes. Driemaal per week kon men zijn producten ter veiling aanbieden. Op maandag, woensdag en vrijdag. Aanvankelijk vond de veiling plaats in het gebouw op de Pikeursbaan te Deventer en later in het veel grotere veilinggebouw te Twello. Een ander gedeelte van de kwekers moest niets hebben van dat Coöperatieve gedoe en verkochten hun spullen vanuit huis en brachten net als hun ouders en voorouders hun geteelde zaken aan de man op de Deventer markten.
We schrijven 2007 en er is slechts nog een kweker die deze procedure volgt. (Fam. Lodeweges). Ook waren er slimme “vrije” kwekers. Een mooi voorbeeld is Gait Nalis uit de Warmoezenierstraat die grotendeels kweekte en in de behoefte voorzag van het Deventer St. Geertruidenziekenhuis en het Grote Voorster Gasthuis, eveneens te Deventer. Hij verplichtte zich bij deze leveranties de “spoeling” van genoemde instellingen retour te nemen. In grote tonnen werd de spoeling –overgebleven etensresten zoals pudding, soep, brood en vele andere zaken, naar zijn kwekerij gehaald om aldaar te dienen als voedsel aan de vele varkens die hij in grote schuren ter vetmesting er op nahield. Over recycling gesproken! Er bestond toen nog geen warenwet of milieupolitie. Genoemde handelingen waren niet erg fris te noemen maar zakelijk zeer slim.
Diverse oorzaken zijn te noemen toen in de zeventigen en tachtiger jaren er een einde kwam aan deze typische cultuurhistorie van de Steenenkamer. Door snel veranderende teeltmethodes, de massa-teelt deed zijn intrede, het gebrek aan opvolgers met als absolute doodsteek de sluiting van de Coöperatieve Veiling te Twello, kwam er een einde aan deze kweekcultuur op de Steenenkamer en dienaangaande leefcultuur. Men werkte met en schikte zich in de grillen en grollen van Moeder Natuur als geen ander en moest zich neerleggen bij de slaafsheid van de consument. De consument die gaandeweg niets meer overhad voor fundamentele zaken als kwalitatief goed voedsel, die slaafs prijsstunters naliepen en allerlei namaak-voedsel gingen nuttigen ten nadele van eigen gezondheid, naar later bleek. Zijn wij momenteel niet bezig mevrouw Sonja Bakker te volgen?
L’histoire se repete zullen we maar zeggen!

Piet (zoon van Hendrik Jan) van de Nonne van Budde van de Steenenkamer.